6 stappen van Klinisch redeneren




De 6 stappen van klinisch redeneren helpt je het traject van klinisch redeneren te doorlopen. Marc Bakker, zelf verpleegkundige, bracht de methode naar Nederland.

Hieronder doorloop je de stappen uitgebreid. Om direct te oefenen met een casus kijk je op onze goed gevulde pagina met casussen.

Stap 1 – Oriëntatie op de situatie/klinisch beeld

Het doel van de eerste stap is om de situatie te overzien. Je moet het klinische beeld kunnen beargumenteren én presenteren. Hiervoor kun je gegevens gebruiken die je al hebt, zoals vitale waarden (bloeddruk, temperatuur, saturatie), maar ook uitslagen van onderzoeken (bijvoorbeeld een CT-scan of bloedonderzoek). Gebruik eventueel de volgende handige verpleegkundige gereedschappen: SBARREWS-score , vitale functies.

Stap 2 – Klinische probleemstellingen

Door de voorgaande stap te onderzoeken kom je erachter wat precies het probleem is. Dat probleem kan zich voordoen op zowel lichamelijk als psychisch gebied.

Probeer niet alleen lichamelijke of medische klachten en problemen te bekijken, maar betrek ook het sociale en pscyhische aspect van de patiënt of cliënt. Wellicht is de patiënt depressief of heeft de patiënt verdriet of pijn. Kan de patiënt zijn hobby’s nog wel uitoefenen of is er sprake van een sociaal isolement? Het psychische en lichamelijke deel kunnen nog weleens met elkaar verweven zijn. Denk bijvoorbeeld aan een patiënt die door zijn eenzaamheid niet meer uit huis komt en om die reden lichamelijke klachten krijgt. Welk probleem pak je dan aan? Het mobiliteitsprobleem of het mentale deel?

Stap 3 – Aanvullend klinisch onderzoek

Welk aanvullend onderzoek is er nodig om de juiste diagnose te stellen en daarbij het juiste beleid te voeren? Is er een bloedtest nodig? Moet er een foto gemaakt worden? Moet de patiënt door een arts van een ander specialisme beoordeeld worden? Wees niet bang: je hoeft het niet allemaal op te lossen. Maar denk er gewoon eens over na en beargumenteer waarom jij denkt wat nodig is.

Wat wil je nog meer weten? Wat moét je nog meer weten om het juiste beeld te krijgen?

De arts beslist en moet verantwoorden welke onderzoeken er nodig zijn, maar van een verpleegkundige wordt verwacht dat hij/zij meedenkt met de arts. De arts is gericht op de medische oorzaak van het probleem. Bij een blaasontsteking schrijft hij of zij de antibiotica voor. Maar als verpleegkundige merk jij op dat de patiënt pijn heeft bij het plassen. Daardoor kan jij vragen of er wellicht aan pijnstilling gedacht kan worden. Jij merkt in je dienst op dat de patiënt delirant gedrag vertoont en dat hij tijdens de dienst wisselend adequaat is. Een arts ziet de patiënt daar te weinig voor.  Daar kun jij dus het verschil maken en tijdig actie ondernemen.


Stap 4 – Klinisch beleid

Hoe wordt de gezondheid en conditie van de patiënt in goede staat gehouden? In deze stap kan de verpleegkundige zijn/haar expertise goed laten zien. Door zelf al te bedenken dat de patiënt waarschijnlijk een intraveneuze therapie gaat krijgen, kan hij/zij alvast een infuussysteem klaarmaken. Wanneer de patiënt waarschijnlijk zuurstoftoediening dient te krijgen, zorgt de verpleegkundige alvast voor de juiste materialen.

Stap 5 – Klinisch verloop

Wat zal het (klinische) verloop zijn van het beleid? Wat is de prognose? Zijn er risico’s voor de patiënt? Waar moet je rekening mee houden? Wat kun je op korte termijn verwachten en wat op lange termijn? Dat wordt bekeken in de vijfde stap. Een voorbeeld van het op korte termijn verhelpen van benauwdheid bij een overvullingsbeeld kan zijn: het verstrekken van diuretica (plastabletten). Een interventie op lange termijn kan zijn: zorgen voor een lagere bloeddruk.

Stap 6 – Evaluatie

Nu is het tijd om terug te kijken en te evalueren. Wat is er goed gegaan en wat kon er beter? Wat heb je ervan geleerd en kun je nu meenemen voor een volgende keer?

Oefenen met klinisch redeneren

Dan is het nu tijd om te oefenen! Op deze site vind je verschillende casussen waarmee je kunt oefenen. Kijk hier voor een casus overzicht.